Ja, maar …

Ik ben geïnteresseerd in de advaita vedanta en lees naast Indiase wijzen, zoals Ramana Maharshi en Nisargadatta ook westerse vedanta-leraren, bijvoorbeeld Alexander Smit, Jean Klein of Wolter Keers. Leraren die een persoonlijk inzicht hebben en daar in hun boeken verschillend over spreken. Dit liet ik onlangs vallen in een gesprek en toen kreeg ik te horen ‘ja, maar die zeggen allemaal hetzelfde’. Dit lijkt misschien zo, maar daarmee worden de nuances van de verschillende leraren van tafel geveegd. Daar werd ik door uit het veld geslagen en dit was de aanleiding om deze blog te schrijven.

Lees verder

Vers 40

Ramana Maharshi*:
“Er wordt wel gezegd dat bevrijding drie soorten kent: in het lichaam, zonder lichaam en zowel lichamelijk als niet-lichamelijk. Maar ik zeg jullie dat alleen het uitdoven van het ‘ik’, dat de vragen stelt over deze drie soorten, werkelijk Bevrijding is.”

Ik loop drie keer per week hard. Soms voel ik me lichamelijk al moe wanneer ik begin te lopen; soms heb ik ook nog een zwaar hoofd dat vol zit met gedachten. Fascinerend is om te ontdekken dat dit allemaal verdwijnt tijdens het lopen en het lopen vanzelf gaat. Ik zweef als het ware over de straat en ik wordt vanzelf voort gedreven als in een flow of enkelvoudige beweging.
Dit proces kan ik echter niet afdwingen en gebeurt plotseling; meestal is het al gebeurd voordat ik het in de gaten heb. Op het moment dat ik het in de gaten heb is het zweven weer verdwenen en komt de verlangende gedachte naar dat zweven.
Op momenten is er louter genieten, waarin lichaam en geest afwezig zijn. Het leven is meer dan we denken.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.150.

Vers 39

Ramana Maharshi*:
“Slechts zolang je in de waan verkeert dat je gebonden bent, blijven denkbeelden als ‘gebondenheid’ en ‘bevrijding’ opkomen. Zodra je onderzoekt wie gebonden is blijkt het Zelf onafgebroken aanwezig, tijdloos verwezenlijkt en altijd vrij. Kan dan, als het denkbeeld van gebondenheid vervlogen is, het denkbeeld ‘bevrijding’ nog standhouden?”

Ik ben een ontzettende dropeter. Regelmatig sta ik in de supermarkt voor het schap met drop en loop dan alle dropsoorten na om te kijken waar ik zin in heb. Die zin in drop begint al te spelen voordat ik de supermarkt in stap en wordt erger naarmate ik mijn andere boodschappen bij elkaar heb verzameld in de supermarkt. Snoepen is eigenlijk niet goed voor me, want ik heb suikerziekte en dat gaat dan ook door mijn hoofd.
Op het moment dat ik dan een keuze heb gemaakt uit al die dropsoorten en het zakje in mijn mandje doe, blijkt de zin in drop opeens als sneeuw voor de zon verdwenen. Het wel een geen zin hebben liggen heel dicht bij elkaar. Ze zijn slechts hele kleine, split-second momenten in mijn dagelijks leven dat geen weet van zin in drop heeft.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.149.

Vers 38

Ramana Maharshi*:
“Zolang iemand zichzelf aanziet voor de dader van zijn handelingen, moet hij de gevolgen ervan ondergaan.
Maar zodra hij het Zelf realiseert, door te onderzoeken wie het is die handelt, valt het gevoel de handelende persoon te zijn weg, en komt er een einde aan het drievoudige karma. Dit is de staat van tijdloze bevrijding.”

Ik heb jarenlang op voetbaltraining gezeten en vele uren geoefend op het trappen van een bal naar een medespeler al of niet met een dribbel daar aan voorafgaand. Soms namen we op het einde van een training penalty’s, zodat we op zondag tijdens de wedstrijd goed voorbereid waren en ons niets kon overkomen. Ik wist precies waar ik de bal moest raken en waar ik hem in het doel moest schieten.
Hoewel we het trappen van de bal leken te beheersen liep het toch vaak anders en kwam de bal bij een tegenspeler uit, terwijl we dat niet zo getraind hadden. Het goed of fout trappen van een bal is op met moment van trappen niet het punt, want je bent daar helemaal niet mee bezig, hooguit achteraf in je gedachten als het wel of niet gelukt is. Het trappen is veel meer spontaan of instinctief dan dat je alles van te voren berekent, zoals de afstand tot de medespeler, de snelheid van de bal, jezelf, je medespeler of de wind.
Het voetballen gebeurt meer vanzelf. Je trapt de bal wel, maar je denkt niet hoe je dat precies gaat doen.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.149.

Vers 37

Ramana Maharshi*:
“De bewering ‘dualiteit tijdens het beoefenen, en non-dualiteit bij het bereiken’, is niet juist. Want niet alleen bij het vinden van je Zelf, maar ook tijdens het zoeken ernaar ben je niemand anders dan ‘de tiende man’.”

Wanneer ik wandel of fiets denk ik vaak hoe ver is het nog of hoe lang duurt het nog voor we weer thuis zijn. Het lijkt op zo’n moment dat het fietsen en wandelen op driekwart van de afstand steeds zwaarder wordt; hoewel ik me lichamelijk nog niet moe voel, maar wel geestelijk.
Onverwachts zegt mijn vrouw tijdens de tocht ‘Kijk wat een mooie kleur heeft dat bosviooltje’ en in het moment dat ik naar het bosviooltje kijk is de vermoeidheid, zowel de zadelpijn als de gedachten, verdwenen.
Wanneer ik na de wandeling of fietstocht thuis kom ben ik nog steeds dezelfde persoon als die fietste of wandelde en dezelfde als toen ik begon met wandelen of fietsen.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.149.

Vers 36

Ramana Maharshi*:
“Slechts zolang de gedachte ‘ik ben het lichaam’ blijft opkomen, zal de meditatie ‘ik ben niet dit, ik ben Dat’ terecht zijn om als Dat gegrondvest te raken. Want waarom zouden we ermee doorgaan en denken ‘ik ben Dat’? Is het voor een man soms nodig om voortdurend te denken ‘ik ben een man’? Zijn we niet altijd al Dat?”

Ik loop drie keer per week hard om zo mijn bloedsuikerspiegel laag te houden. Ik ben tot nu toe twee keer gevallen en het verbaast me dat het niet vaker is gebeurd. Soms zie ik een los liggende tegel, een klinker die iets hoger ligt of een boomstronk die het asfalt omhoog duwt. Echter, ik zie niet alle kleine obstakels tijdens het lopen.
Het lopen gebeurt vanzelf zonder dat ik elke stap van te voren bedenk of beheers. Fascinerend hoe al die spiertjes samen met mijn zintuigen werken, terwijl ik aan het lopen ben. Mijn lichaam wil hardlopen en wordt als het ware voortgestuwd zonder dat ik dat zelf allemaal regel en zonder dat ik besef dat het zo vanzelfsprekend gebeurt; wat altijd al gebeurt ook als ik gewoon beweeg en niet hard loop.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.148.

Vers 35

Ramana Maharshi*:
“Het zoeken naar en geworteld raken in de Werkelijkheid, die altijd al ‘verworven’ is, is de enige ‘Verworvenheid’.
Alle andere verworvenheden, zoals bijzondere vermogens (siddhi’s), zijn alsof ze verworven zijn in dromen. Kunnen zij voor degene die wakkergeworden is nog echt lijken? En kunnen zij voor degene die geworteld is in de Werkelijkheid en vrij van illusie, dan nog een verleiding zijn?”

Soms heb ik zo’n zin om een sigaar te roken. Ik heb nooit sigaretten gerookt en ben op mij dertigste op de terugreis van een skivakantie sigaren gaan roken, omdat ik de reuk zo lekker vond. Dit hield ik een driekwart jaar vol en merkte dat ik tijdens het werk, dat mocht toen nog, de ene sigaar na de andere opstak tijdens het uitwerken van een onderzoeksrapport. Dit vond ik raar, want ik pafte een eind weg zonder dat ik er van genoot. Ik ben daarna meerdere keren begonnen en ook weer gestopt met roken. Het beginnen kon ik meestal uitstellen totdat ik voor de vijfde keer langs een sigarenzaak was gefietst en de verleiding niet meer kon weerstaan om naar binnen te gaan. Het telkens stoppen ging redelijk makkelijk, omdat ik bijvoorbeeld pijn in mijn keel kreeg of omdat het vies smaakte.
Wel zag ik dat ik het beginnen en stoppen niet in de hand had, omdat het opeens spontaan opkwam. In de periodes dat ik niet rookte bestond de hele sigaar of het verlangen naar roken ervan ook helemaal niet. Ik was daar in de werkelijkheid van het dagelijks leven niet mee bezig; het kwam gewoonweg niet in mij op.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.148.

Vers 34

Ramana Maharshi*:
“Het niet herkennen van Dat wat voor iedereen altijd al de inherente Werkelijkheid is in het Hart, en niet daarin gegrondvest raken, maar in plaats daarvan argumenteren over het bestaan of niet-bestaan ervan, over zijn vorm of vormloosheid, zijn dualistische of non-dualistische aard: het komt allemaal door de illusie die voortvloeit uit onwetendheid.”

Religieuze discussies zijn er altijd geweest, zelfs een strijd op leven en dood, zoals bij de kruistochten. Eigenaardig als je bedenkt dat er één universum is en één God of wereld waar alles uit voortgekomen is.
Ik ben zelf katholiek opgevoed en gegroeid. Zo rond mijn zeventiende ben ik gestopt met het actief belijden van het katholicisme. Ik vond dat er geen verschil tussen protestanten en katholieken was, ook omdat beiden het Christendom als basis hadden.
Zo simpel was het niet, want ik vond nog decennia lang katholieken betere Christenen dan de protestanten. Niet dat ik ze anders zag of behandelde; het was meer een gevoelsmatige gedachte die was blijven hangen, die op een vaag idee van verschil gebaseerd was.
Na jaren bezig te zijn geweest met spiritualiteit begin ik nu te beseffen dat elk spirituele of religieuze stroming een pad kan bieden om inzicht in het leven te krijgen. En dat we deel zijn van een universum, waar we überhaupt geen controle of beheersing over hebben; zowel in de kleine als grote gebeurtenissen. Dit louter waarnemen zoals het feitelijk is; is het alomtegenwoordige en alomvattende zijn, de bron of het Zelf. Waarnemen, meer is het niet, zo eenvoudig.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.147/8.

Vers 33

Ramana Maharshi*:
“Het is net zo lachwekkend om te beweren: ‘Ik heb het Zelf gerealiseerd’ als : ‘Ik heb het Zelf niet gerealiseerd’. Zijn er twee ‘zelven’, waarbij het ene een object is dat gekend of gerealiseerd wordt door het andere? Het is in feite ieders eigen ervaring dat het Zelf Eén is: ‘Ik ben één Ik’.”

Hoewel ik mij vooraf verantwoordelijk voel, realiseer ik mij pas achteraf wat ik gedaan heb. Je doet bepaalde handelingen die je in grote lijnen vooraf bedenkt en die achteraf anders zijn gebeurd. Ik moest laatst een extra keukenkastje van IKEA plaatsen. De maten klopten; dus hoefden we alleen maar het kastje te plaatsen. Het paste echter niet en we moesten opnieuw meten en uiteindelijk wat tegeltjes wegkappen, toen paste het wel. Maar dat was van het begin al zo; we dachten echter dat we alle maten goed hadden opgenomen.
Zo ook is het ook met inzicht. Je denkt hoe spirituele oefeningen in de praktijk werken en dat jij dat kunt uitvoeren. Vreemd eigenlijk, omdat ieder wezen uit eenzelfde bron voortkomt. Eenzelfde bron die de een Goddelijk en de ander energie of licht noemt. Wat heeft het dan nog zin om spirituele oefeningen uit te voeren om te beseffen dat je een spiritueel wezen bent, wat je a priori al bent. Het louter waarnemen van het leven zonder iets te willen is al voldoende.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.147.

Vers 32

Ramana Maharshi*:
“De teksten verklaren: ‘Jij bent Dat’, maar toch getuigt het mediteren over ‘ik ben Dat en niet dit’ van een zwakke benadering – je bent immers altijd al Dat. Onderzoek dus wat je werkelijk bent en blijf daarin gegrondvest.”

‘It was the hour before the Gods awake’ is de eerste regel van Savitri, een poëtisch boek van Sri Aurobindo. Dit zinnetje duidt aan dat er iets is voordat het Goddelijke wakker wordt. Er is iets voorbij het Goddelijke; maar wat dan?
‘Het uur ervoor’ wordt niet beschreven. Mijn denken blijft in peinzende stilte achter in dat wat niet beschreven of gedacht kan worden. Misschien is dit uur alles en tegelijkertijd ook niets.
Dit doet mij denken aan het mediteren op de mantra ‘Soham’ (Ik ben dat). Ik begin de meditatie op ‘Soham’ met het herhalen daarvan in de geest. Op een gegeven moment dwaal ik af en wanneer ik dat merk zet ik de mantra weer in. Ik denk dat ik daarvoor zelf kies, maar het inzetten van de mantra gebeurt op een gegeven moment, terwijl ik op een kussentje zit. Dit opnieuw inzetten en herhalen van de mantra wordt achteraf in mijn geest bevestigd. Feitelijk rijst de klank van de mantra op, komt spontaan voort uit een niets. Een niets dat altijd aanwezig is zonder dat ik dat besef.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.147