Let it be

De Beatles zongen ‘Let it be’; volgens de tekst van het lied woorden van wijsheid, ook in moeilijke tijden.
In eerste instantie zou je deze woorden van wijsheid niet verwachten van een Engelse popgroep uit de jaren zeventig. Ze waren echter in contact gekomen met Maharishi Mahesh Yogi, die hen transcendente meditatie onderrichtte om ook die ‘andere’ wereld te leren kennen.
Paul McCartney had dit lied geschreven naar aanleiding van de dood van zijn moeder die vele jaren daarvoor aan kanker was gestorven.

Je kunt kanker wel willen vermijden, maar het gebeurt of het gebeurt niet in je leven. Ook verschrikkelijke dingen gebeuren of je wilt of niet en je kunt alleen toezien op het proces dat plaatsvindt. Een proces waarin je misschien hoopt van alles te kunnen doen zodat het ten goede zal komen, maar dat weet je niet.
Het laat je, in al die misère waarin je zit, zien dat je niet dat lichaam, ook niet die kanker en ook niet al die gedachten daarover bent.

Kevers

‘Jammer dat we zo’n korte voelsprieten hebben’, zei kever Voelsprietje tegen kever Schildje. ‘Wees maar blij’, zei Schildje, ‘zo leuk is de wereld niet die ik opvang met mijn voelsprieten’. Kever Voelsprietje antwoordde: ’Ik zou graag langere voelsprieten hebben om juist meer van het leven te weten en te kunnen genieten’. ‘Jij liever dan ik’, zei kever Schildje, ‘ik wordt er niet blij van’. ‘Ik voel me zo opgesloten in mijn dikke pantsertje en met mijn kleine vleugeltjes, terwijl het leven zo rijk en mooi is om van te genieten, zoals de vele dieren, planten, om niet te vergeten de mensen’, antwoordde kever Voelsprietje.

Afspreken

Dat heb je wel eens. Chagrijn hebben omdat het leven niet loopt zoals dat je zou willen.

Laatst had ik een ontevreden stemming, zonder dat ik dat in de gaten had. Ik had met een vriend om een uur of tien afgesproken in een café om samen wat bij te praten. Meestal spreken we over onze gezondheid, vrouwen en kinderen. Ik was gewend dat hij nooit op tijd was, maar nu was het al half elf en was hij er nog niet.

Op en gegeven moment ging ik in mijzelf zitten mopperen over dat hij niets liet horen. Kon hij niet even bellen, sms’en of appen? Ik was tenslotte helemaal zijn richting op gefietst naar de andere kant van Amsterdam. Dat doe ik trouwens altijd, want dan hoef ik niet op hem te wachten; want ik vind het vervelend om te moeten wachten.

Dit innerlijk mopperen en chagrijn stopt op het moment dat ik besef dat dit de situatie er niet plezieriger op maakt en geen zin heeft en tot niets leidt. Berustend bel ik hem op en dan blijkt dat ik verkeerd in mijn agenda heb gekeken en de afspraak morgen pas is.

Veldmuisje

Ik ben het gazon aan het maaien en de 4-takt benzinelucht dringt mijn neusgaten in. Daar moet ik meer van weten denkt het jonge veldmuisje en kruipt uit zijn holletje in de grond. Wat een grote grassprieten denkt hij, terwijl hij op zoek gaat naar dat geplof en geronk. Onverwachts verschijnen in zijn ooghoeken een paar grote zwarte wielen en een blikken trommel met een ronddraaiend mes. Razendsnel denkt hij: ‘Ik moet maken dat ik wegkom, maar waar heen? Het gaat allemaal zo snel.’ Gelukkig stopt het apparaat heel even en kan hij nog net met bonzend hart wegrennen in het hoge gras. Het veldmuisje laat zich echter niet kisten door iets onverwachts en steekt vol verwachting zijn kopje weer boven het gras uit.

Fontein

Op het dakterras staat een oud half wijnvat met water en keien. In een van de keien zit het pijpje van het fonteinpompje dat het water over het oppervlak doet pruttelen. In het verleden stopte het pruttelen regelmatig omdat er groen wier in het pompje was gekomen. Nu er een nylonsok om het pompje zit, is het euvel verholpen en pruttelt het aan een stuk door. Het pruttelt zachtjes, maar is toch hoorbaar, mits er niet teveel lawaaierig verkeer langs komt.

Ik hoor het pruttelen van de fontein niet continu, want ik ben vaak met iets bezig; zoals een vriend bellen, de krant lezen of ik ben soms gewoon in gedachten verzonken. En ineens hoor ik iets van water kabbelen in het wijnvat en ervaar ik de rustige uitwerking van het luisteren naar het kabbelende water. Het luisteren naar het kabbelen brengt me dan soms terug naar de stilte, waarna de gedachten oplossen. Het luisteren zelf heeft me daar gebracht, zonder dat ik dat vooraf verlangde en zonder dat ik daar iets voor gedaan heb.

 

Moeder Ganga

De heilige rivier Ganges loopt van de Gangotrigletsjer in de Himalaya naar de Golf van Bengalen. Waterdruppels vallen vol enthousiasme van de gletsjer af en gaan daarna over de vele watervallen naar benden en vermaken zich als kinderen zo blij. Ze willen er bij horen en ook volwassen zijn. Stroomopwaarts is het water rustiger en zien ze de vele Indiërs die een dip nemen als een soort spirituele reiniging. O, zeggen ze onderling vol trots, wij zijn ook nog van spirituele waarde, maar we willen zo graag één zijn met het grote water. Uiteindelijk meanderen ze samen met de vrachtboten naar de monding van de Ganges en worden opgelost in de grote zee. Zegt de stille waterdruppel, die heel die reis niets van zich heeft laten horen: ‘Is dit nu zo bijzonder, is dit alles? Het is hetzelfde water als het ijs dat wij aan het begin van onze reis waren’.

Onkruid wieden

De parkeerplaats van zwarte kleine kiezelsteentjes zit na de winter vol met paardenbloemen, mos en andere klein onkruid. Alleen schoffelen helpt om al dit groen te verwijderen.
Dit schoffelen is een hels karwei, omdat het een oppervlak van ongeveer tweehonderd vierkante meter is. Het mos zit stevig vastgekleefd aan de kurkdroge grond bij het lage gebouw.
Beetje bij beetje lukt het me om de eerste meters los te schoffelen. Vervolgens moet het onkruid, de mosjes en paardenbloemen in een kruiwagen geschept worden. Met een bladhark hark ik het overbodige groen naar een kant. Jammer genoeg komen ook de zwarte kiezelsteentjes met het harken mee. Ik ontdek dat wanneer ik de bladhark lichtjes beweeg de zwaardere steentjes blijven liggen en het grovere onkruid bovenop de kiezelsteentjes komt te liggen en zo makkelijk opgepakt kan worden om in de kruiwagen te gooien.
De fijnere stukken groen blijven echter tussen de kiezelsteentjes liggen. Ik ga nog een keer de kiezelsteentjes aanharken en zie dat wanneer ik de bladhark niet naar mij toetrek maar zijwaarts beweeg dat het fijnere onkruid dan aan de tanden blijft zitten en er minder kiezelsteentjes met het harken mee komen.
Zo leer je op een middag harken dat niet weten hoe iets te doen geen belemmering hoeft te zijn om te beginnen. Door simpelweg te kijken wat er gebeurt verschijnt de oplossing vanzelf.

Zwaluwen

De zwaluwen zijn dit jaar laat teruggekeerd uit Afrika. Het is al mei, terwijl ze meestal in april terug zijn in Nederland. Het was mooi en zonnig weer in april, maar de insecten onderweg, met een bruin kleurtje, waren zo heerlijk. Ze moesten evengoed natuurlijk wel doorvliegen, want het paar- en broedseizoen stond voor de deur. Eerst moeten de nestjes worden gebouwd met eigen gemaakte bollen klei en dat is voor een paar zwaluwen behoorlijk doorwerken.

‘Zullen we niet hier blijven in het zonnetje’, zegt de ene zwaluw tegen de andere. ‘Nee, ‘zegt de andere zwaluw, ‘want ik heb wel zin in meerdere broedsels dit jaar.’ ‘O, mijn God, daarom vliegen we vanuit Afrika helemaal naar Nederland’, zegt de ene zwaluw. ‘Dat is mijn natuur, maar ook die van jou. Je bent jong en denkt dat alles anders moet. Maar je zult zien dat alles helemaal vanzelf gaat’, zegt de andere zwaluw.

Social Media

Af en toe plaats ik een opmerking op LinkedIn, zoals laatst tijdens de intelligente lock-down van Mark Rutte vanwege het coronavirus. Hij moedigde de Nederlanders aan zelf verantwoordelijkheid te nemen en het niet aan allerlei regels van de overheid over te laten. Ook prees hij de Nederlanders dat ze anderhalve meter afstand namen en met eigen initiatieven kwamen.
’s Ochtends in bed kwam naar aanleiding van deze opmerkingen van de minister president het boek ‘de Vertraagde Tijd’ in mij op van wijlen prof. Arnold Cornelis. Hij spreekt daarin over communicatieve zelfsturing, die helpt om te ontdekken wat ons eigen verborgen programma is en pleit om ons weer af te stellen op onze innerlijke klok van het verborgen programma en zo te ontdekken wat waardevol is.
Nu gaat het mij niet om wat Arnold Cornelis zegt, maar om het proces dat plaatsvindt; namelijk de herinnering die opkomt aan een boek naar aanleiding van een uitspraak van iemand. Dit gebeurt zonder dat ik dat van tevoren had kunnen bedenken, zeker gezien het feit dat ik het boek van hem meer dan vijftien jaar geleden heb gelezen.
De opmerking die ik op basis deze herinnering op LinkedIn plaatste leidde tot reacties, zoals de reactie dat weerstand je scheidt van Zijn, die de werkelijke bron van je kracht is. Eerst dacht ik wat moet ik er mee, om vervolgens een reactie te geven die ik niet had verwacht. Mijn reactie ‘wrijving zorgt voor ontwikkeling’ had ik ook al jaren geleden gehoord en kwam als herinnering spontaan naar boven. De vraag is wat is de bron van al die herinneringen die in mij naar boven komen tijdens zo’n social-media gesprek?

Mieren

Honderden mieren lopen in een lange sliert van de ene kant naar de andere kant van de asfaltweg. Met gevaar voor eigen leven is de hele kolonie mieren in de weer om voedsel bijeen te garen aan de andere kant van de weg. Het is een drukte van je welste van en naar het nest, ze passeren elkaar links en rechts in twee, drie rijen dik en dat gaat zonder ongelukken of zonder tegen elkaar te botsen. Onderweg zegt de ene mier tegen de andere mier ‘Onbegrijpelijk al dat gekrioel zonder ongelukken.’ Zegt de andere mier: ‘Ja ongelooflijk, zonder stoplichten en verkeersregelaars loopt het gewoon gesmeerd. Wie heeft hier het stuur in handen, wie regelt dit allemaal?’

Autorijden

Met vijf man zouden we gaan eten in een restaurant en wilden daarvoor met de hond gaan wandelen. Normaal lopen we met de hond aan de lijn kort op en neer, maar nu wilden we de hond lekker vrij, los van de lijn laten lopen. Hiervoor moesten we de stad uit naar Spaarnwoude, een groot park met veel gras en bomen dat ons bij een temperatuur van 33 graden genoeg verkoeling zou geven.
Met twee auto’s reden we er naartoe via de Osdorperweg, want die namen we altijd als we die kant op gingen. Halverwege de Osdorperweg bleek de weg verderop in verband met wegwerkzaamheden afgesloten te zijn en moesten we omrijden door de wijk Slotervaart. Het eerste wat ik dacht was of we nog genoeg tijd hadden om te wandelen en komen we op tijd bij het restaurant waar we gereserveerd hadden.
Het zat niet mee, want in Slotervaart was de weg ook afgesloten, dus werd de omweg steeds langer. Ik merkte dat mijn ongeduld toenam en vroeg me geërgerd af of dit niet te lang zou gaan duren.
Dit was echter nog niet het einde. Aangekomen in Spaarnwoude bleek er een festival te zijn en konden we er niet in rijden en moesten we terug om achterin Spaarnwoude alsnog met de hond te kunnen wandelen. Ik voelde me onrustig worden en steeds indringender kwam de gedachte op of we op tijd bij het restaurant zouden aankomen.

Wat is er nu gebeurt? Ik zat tijdens het autorijden me zorgen te maken en van alles te bedenken wat er fout zou kunnen gaan. Ik zag tijdens het rijden zelfs de weg die voor mij lag niet en toch ging het goed en kwamen we zonder ongelukken in Spaarnwoude aan en ook op tijd in het restaurant. Terugkijkend vraag ik mij af wie heeft er nu autogereden? De meeste tijd de zag ik de weg in ieder geval niet; ik was onrustig en maakte me voortdurend, naar achteraf bleek, onnodig zorgen.

Wolken

Twee wolken dreven boven elkaar en begroette elkaar. De bovenste wolk, die langzaam, bijna stilstaand in de hogere luchtlaag voorbij ging, vroeg aan de onderste snellere wolk: ‘hoe is het daar beneden, is er nog wat te zien’. ‘Och, wat zal ik zeggen’, zei de onderste wolk. ‘Hier is zo veel te zien. Mensen, zeeën, dieren en dat nog in allerlei hoedanigheden en omvang. Ik heb om alles te zien ogen te kort, om zo te zeggen. En hoe is het bij jou daar boven?’ ‘O, mijn hemel, hier gebeurt eigenlijk helemaal niets’ zei de bovenste wolk. ‘Heerlijk stil en rustig.’

Vogels

’s Morgens vroeg word ik wakker van het zingen van de vogels; hun getjilp komt door het raam van mijn slaapkamer naar binnen. Het ene na het andere vogeltje zingt zijn lied. Het getjilp is er ineens vanuit het niets van de nachtelijke stilte. De eerste zonnestralen vallen door het raam naar binnen en ik lig te luisteren naar het bosconcert.
Zonder die stilte zou dat gekwetter waarschijnlijk niet opvallen of het voortdurende geluid zou kunnen gaan irriteren. Het getjilp van de vogels verschijnt en verdwijnt. Zo te horen komt dat ook vanuit het niets of de stilte en is gebed in stilte.

Ik geniet ervan en terwijl ik luister hoor ik dat het getjilp uit meerdere klanken en tonen bestaat die ook weer gebed zijn in stilte. Op een gegeven moment neemt het gezamenlijk gekwetter af en lijkt men aan de arbeid te gaan. Ze vliegen af en aan, het bos, het weiland of de tuin in met nog af en toe een kwinkslag.

Spechten

Twee spechten zaten in de avondschemerig heerlijk te keuvelen over wat ze die dag hadden meegemaakt. Bontje, de bonte specht, vertelde dat hij een mooie eik had gevonden om zijn nestje uit te hakken en te bekleden met de mooiste zijden draadjes. ‘Och’, zei Groentje, de groene specht, ‘ik zou willen dat ik ook een dergelijk mooi verhaal kon vertellen. Ik vloog met mijn hoofd tegen een grote dikke stevige beuk en heb daar nog steeds hoofdpijn van en kan mij niet meer concentreren op het zoeken van een geschikte boom om een nestje te maken.’ Bontje had zo met Groentje te doen dat hij hem zijn nieuwe nest aanbood. Bontje zei nog: ‘Ik kan wel mijn oude nest aanbieden, maar daar wil ik zelf niet meer wonen. Ik wil het jou dan ook niet aanbieden. Ga in mijn nieuwe nest wonen, ik maak wel een nieuw nest en vertrouw er op dat het goed komt.’

Wandelen

Het is heerlijk lopen in de bossen op de Veluwe. Ik kijk wat om me heen en zie kleine vogeltjes of, afhankelijk van het jaargetijde, jonge lichtgroene knopjes of oude bruine droge blaadjes aan de takken. Ik loopt over het bospad zonder dat ik precies kijk of weet waar ik de volgende stap zal neerzetten. Een enkele keer ligt er een afgewaaide dikke of dunne boomtak op mijn pad en stap er overheen of til ik mijn voet niet hoog genoeg op en struikel of val ik zelfs op de grond.
Als de vermoeidheid toeslaat richt ik mijn aandacht soms op mijn voeten en voel dan hoe het voetbed, of beter gezegd de schoenzolen de grond raken bij elke stap die ik zet. Het lijkt dan zelfs alsof ik grond niet raak en het wandelen plaatsvindt zonder dat ik ingrijp of het onder controleer. Bij elke stap ben ik gewaar van mijn voeten en is het denken even afwezig. Achteraf kan ik zeggen dat er naast mijn gedachten over het wandelen ook af en toe stilte in mijn geest was.

Wandelende takken

Bruintje en Brekebeen, twee wandelende takken, zaten lekker met elkaar te keuvelen in een groene struik. Het weer was aangenaam en ze bespraken of ze niet eens op vakantie moesten gaan naar een altijd aangenaam oord. Ze legden uitgebreid hun benen over elkaar en gingen er eens goed voor zitten.
Brekebeen stelde voor om naar een zonnig land te gaan, want daar kon je lekker in de zon van de ene naar de andere tak hoppen en er was altijd wat te eten. Dat leek deze Bourgondische wandelende tak wel wat. ‘Ben je helemaal besodemieterd’, zei Brekebeen, ‘als we zo ver gaan dan wil ik cultuur opdoen en mij laven aan de mooiste exotische bomen, struiken en planten die daar zijn’. ‘Jij met je cultuur’, zei Brekebeen, ‘je hebt geeneens belangstelling voor de bomen en planten in je eigen omgeving. Begin dan hier. Elke boom die je echt ziet is dan al een vakantie voor je, daar hoef je niet ver voor te reizen’.

Afwassen

Elke dag wordt er met de hand afgewassen, want we hebben geen afwasmachine. Wie vindt dat nu leuk? Ik ken in ieder geval niemand. Toch begin ik er direct na het eten. Soms was ik eerst de glazen, bekers en kopjes af,droog ze meteen af en zet ze in de kast en soms zet ik heel de afwas eerst in het afdruiprekje. Net waar ik zin in heb, dat haalt ook de sleur een beetje weg. Vaak erger ik mij aan het feit dat de spullen niet eerst zijn afgespoeld of dat ik tien keer naar de kast moet om ze op te bergen. Tijdens het afwassen gaan mijn gedachten naar andere zaken die niets met het afwassen te maken hebben, zoals de vakantie of een nieuwe detective serie.

Maar af en toe zie ik tijdens het afwassen het vuil op de borden of zie ik de afwasborstel. Achteraf besefte ik dan dat de gedachten verdwenen of opgelost waren en dat er feitelijk alleen het afwassen plaatsvond. Het afwassen is eenvoudig en heeft op zich geen gedachten nodig om uitgevoerd te worden; ze voegen niets toe aan het afwassen zelf. Het louter waarnemen of zien dat het allemaal gebeurt, zonder het denken ; meer is niet nodig.

Rivierstenen

De rivier stroomt breed meanderend het heuvellandschap af en de stenen rollen met hem mee. De grote kiezels gaan langzaam stroomafwaarts in tegenstelling tot de grote keien waar het water van de rivier meer energie in moet stoppen om ze mee te voeren. Dan die kleine zandkorreltjes die als eersten met de stroom meegaan op weg naar de zee. Waarom gaan jullie niet met ons mee vragen de kleine steentjes aan de grote kiezels. ‘Och’, zeiden de kiezels ‘Wij willen graag bij de grote jongens die van de keien horen en haastige spoed is zelden goed’. De kleintjes ook niet op hun mondje gevallen zeiden in koor ‘Wie het kleine niet eert is het grote niet weerd’

Ja, maar …

Ik ben geïnteresseerd in de advaita vedanta en lees naast Indiase wijzen, zoals Ramana Maharshi en Nisargadatta ook westerse vedanta-leraren, bijvoorbeeld Alexander Smit, Jean Klein of Wolter Keers. Leraren die een persoonlijk inzicht hebben en daar in hun boeken verschillend over spreken. Dit liet ik onlangs vallen in een gesprek en toen kreeg ik te horen ‘ja, maar die zeggen allemaal hetzelfde’. Dit lijkt misschien zo, maar daarmee worden de nuances van de verschillende leraren van tafel geveegd. Daar werd ik door uit het veld geslagen en dit was de aanleiding om deze blog te schrijven.

‘Ja, maar ik hoorde laatst dat het niet waar is.’; ‘Ja, maar dat geneesmiddel werkt bij mij helemaal niet goed.’; ‘Ja, maar een elektrische auto is helemaal niet milieuvriendelijk.’ Dit zijn enkele voorbeelden van ‘Ja, maar ..’ die ik regelmatig in gesprekken hoor.
Sommigen vinden dat wat iemand zegt kleiner maakt door ‘maar’ te zeggen en zij zeggen dan ‘ja, en …’. Hiermee maken ze wat je zegt niet kleiner, maar voegen iets toe en maken het daarmee groter. Voor mij is dit eigenlijk hetzelfde als ‘ja, maar’ alleen wil je het mooier maken.
Ikzelf heb daar ook last van, zelfs met zo iets banaals als detectives. Als iemand zegt ik houd van Amerikaanse misdaad series, dan hoor ik mij al zeggen ‘ja, maar die zijn zo gewelddadig’. Of een vriend zegt dat Zweden zo’n mooi vakantieland is, dan zeg ik ‘ja, maar zo eentonig want alle naaldbossen en de duizenden meertjes lijken op elkaar’. Ons oordeel ligt zo snel op onze lippen en we lopen het gevaar in een twistgesprek terecht te komen van welles – nietes. We hebben nu eenmaal door onze eigenheid oordelen en meningen, die heel goed naast elkaar kunnen bestaan en een uitnodiging zijn om om verder te onderzoeken wat het leven is.

Wijn

Je kunt tegenwoordig wijn uit zo’n beetje de hele wereld krijgen en niet alleen uit de traditionele landen Spanje, Italië of Frankrijk.
Een Italiaanse wijn zegt met enige trots tegen de twee andere wijnen: ‘Het was een heerlijk wijnjaartje. Ik smaak lekker fruitig en soepel.’ De Spaanse wijn antwoordt opgetogen: ‘Hier was het ook een goed jaartje met veel zon. Ik heb een stevige en romige afdronk.’ Zegt de Franse wijn in alle rust: ‘Ik ben de meest geliefde wijn van de wereld en weet dat we allemaal uit de druif komen ongeacht de verschillende smaken. Voor mij is wijn louter wijn.’