Een fluitje van een cent

Ik was aan het klussen; een waterleidingbuis van het wasbakje in de toilet lekte. Er zat een scheurtje in het soldeersel van een tussenstukje. Dat had ik vaker gedaan en was in 15 minuten te repareren.

Eerst het soldeersel schoonmaken met S39 en dan was het een kwestie van de brander met wat extra nieuw soldeersel op het verbindingsstukje zetten en klaar was kees.
Ik hield de brander er even tegen aan en het te sissen begon van het water dat nog in  de waterleiding zat; dus het scheurtje was niet in een zucht gerepareerd. Ik  begon te mopperen, maar bleef het proberen, het sissen stopte niet. Dit had ik eerder gedaan, het is toch een fluitje van een cent en het had al lang  klaar kunnen zijn. Trouwens ik had nog meer te doen die dag.

In feite was ik in gevecht met mijn eigen gedachten over deze klus ‘van een fluitje van een cent’. Het enige wat overbleef was om er verder niet te veel over na te denken, me niet laten afleiden, gewoon te doen wat nodig was om de waterleiding te repareren en alle nodige stappen te volgen. Simpel waarnemen en onderzoeken wat nodig is.

Niet niks

Mijn moeder zei het al over mij ‘Een vliegende vogel vangt altijd wat’. Ik was weer eens een keertje als negenjarig jongetje op mijn fietsje naar mijn tante aan de andere kant van het dorp geweest en van haar een paar  koekjes en snoepje gekregen. Dat zat in mijn karakter, een soort ADHD-ertje zou je nu zeggen.

Op mijn veertigste was ik weer eens een keer werkeloos en was ten einde raad; wat doe je dan? Netwerken, zoals je op alle cursussen voor werklozen hoort. Een oud collega van de universiteit werkte op het arbeidsbureau en daar ging ik een kopje koffie drinken zonder enige hoop of verwachting. Na wat gekeuvel vroeg ze aan me of ICT niet iets voor mij was. Geen haar op mijn hoofd die daar zin in had. Bij het weggaan zei ze nog ‘Er is een voorlichtingsbijeenkomst over veertien dagen, je zou er eens heen kunnen gaan’.

Ja aan me hoela. Maar ja als ik de volgende keer weer eens koffie bij haar  ging drinken dan zou ze me natuurlijk vragen hoe ik het had gevonden. Excuses dat ik geen tijd had om naar de voorlichtingsbijeenkomst te gaan had ik natuurlijk niet. Dus ben ik er maar naar toe gegaan. Bleek het een voorlichtingsbijeenkomst voor een opleiding voor hoger opgeleiden ouder dan veertig jaar. Aan het einde van de bijeenkomst kon je je opgeven voor een gratis test. Ook die test kon ik niet zomaar voorbij laten gaan, want ik had tenslotte alle tijd van de wereld.  Om kort te gaan, ik slaagde voor de test en kon drie maanden later beginnen aan de opleiding Kantoorautomatisering van een half jaar. En drie maanden na de opleiding had ik een baan in kantoorautomatisering; ook weer via persoonlijke netwerken.

Kun je zeggen dat ik er iets voor gedaan heb? Nou niet bepaald, hooguit dat het netwerken een uiting is van hoe ik in elkaar zit en de rest is gebeurt zonder dat ik van alles aan het doen of regelen was. Ik deed eigenlijk niks en het  toeval zorgde er voor dat het liep zoals het liep.

 

Let it be

Eigenlijk wil je behouden wat je hebt of kent. Laatst kwam er onverwachts een vriend langs die ik al in een eeuwigheid niet had gezien, wel af en toe telefonisch gesproken. Ik was blij hem weer eens te zien. We dronken wat, wisselden ervaringen en nieuwtjes uit. Na drie uur had ik er wel genoeg van en hoopte dat hij weer weg zou gaan, mijn blijdschap was omgeslagen in ongemak. Zo iets als ‘Was sich liebt das neckt sich.’

Het lijkt of dingen twee kanten hebben waaarbij soms de ene kant dan weer de andere de overhand heeft. Zoals enerzijds de angst om de oude bekende baan  te verliezen en anderzijds de hoop dat een baan met nieuwe uitdagingen langs komt. Je bent gepikeerd omdat een collega te laat komt bij een vergadering, maar je vindt het heel normaal als jezelf te laat komt op een afspraak.

We vergeten dat die gedachten spontaan oprijzen en ook weer verdwijnen en meestal maar heel even in de geest verschijnen. Dat deze gedachten werkelijk gebeuren of uitkomen op het moment en de plats dat wij dat zouden willen hebben we niet in de hand. Dingen gebeuren of gebeuren niet, los van het feit  of we ze kunnen controleren. Ik zou zeggen ‘Let it be.’

Is dit nu alles?

Ik ben een buitenlander, een onderwijskundige, een vrouw, elektricien, een resultaatgerichte CEO.

Wat een mens niet allemaal bedenkt wat hij is of zou willen zijn. Overigens denkt hij dat maar af en toe op een dag, niet de gehele dag. Blijkbaar is dit heel belangrijk voor ons, welke identiteit wij denken te hebben. We lenen er een status aan of bijbehorend gedrag.

Het lijkt ons vrijheid van handelen te geven, een zekerheid over wie of wat we zijn, zelfs een soort bescherming in de zin dat we volledig geloven dat we op die identiteit aangesproken kunnen worden door anderen. Dergelijke gedachten komen op onwillekeurige momenten op. Is dit nu alles? We leven  de hele dag zonder dat we aan onze zogenaamde identiteit denken. Zou het niet veel makkelijker zijn om gewoon te zijn, het leven te zien en onze identiteit te laten voor wat die is namelijk een gedachte die ons uit het alledaagse spontane leven haalt.

Het heeft geen naam

Op een keer liep ik over een binnenplein en zag twee mannen in het zwart met drie opengeslagen pizzadozen, waarin nog een paar pizzapunten, zitten.  Waar zijn de anderen of zouden ze zelf de drie pizza’s willen opeten.
O, vijftien meter verderop zitten vier vrouwen in het zwart rond een  monitor, van een vrouw zijn alleen de ogen onbedekt.
De mannen  en vrouwen lijken bij elkaar te horen. Zouden het orthodoxe moslims zijn waarbij mannen en vrouwen over het algemeen niet bij elkaar in een ruimte zitten of bij elkaar aan een tafel zitten?

Ik beschrijf eerst het tafereel in de geest en benoem je de verschillende mensen en typeer ze. Zo gaat het nu elke keer in mijn geest. De geest benoemt, maakt onderscheid of oordeelt, ‘het zijn moslims’ en nog wel ‘orthodoxe moslims’, terwijl ik daar rondloop en niets met hen of de situatie van doen heb.

Zo is  er een heel verhaal in mijn geest dat begint met de dingen te benoemen of te beschrijven. Als journalist die schrijft over culturen zou dit nog interessant kunnen zijn.
Hoe vaak gebeurt dit denken niet? Eigenlijk hoeft dit  denken helemaal niet en is het waarnemen zelf van zo’n tafereel zonder het een naam te geven, etiketten te plakken of te oordelen voldoende. Je bent aanwezig in een toevallig gebeuren en dat is het. Mijn geest gaat meestal door, terwijl de situatie al lang achter me is.

Ik doe het wel even

Ik doe. Is dat wel zo?
Wie of wat is dan die ik? Wat doet  is ons lichaam.  Ook het  denken vindt plaats in het lichaam.
Wie doet wordt bepaald door de betekenis die we aan ik geven in de geest. Bijvoorbeeld  ‘Anneke schildert, is schilder’, ‘ Ma of pa doet het huishouden, is huisvrouw/man’  of ‘Jan loopt in zeven sloten  tegelijk, is een chaotisch persoon’. Zo zijn we voortdurend bezig in de geest om etiketten op mensen te plakken en daarmee ook een betekenis daar aan toe te kennen. Maar ja, het doen of handeling zelf is dat niet; wel de naam of etiket die we aan het doen geven.

Doen is een activiteit van het lichaam, dat altijd in een situatie is; of het nu slapen, lopen of appen is. Dan is de vraag kun jij die vingers wel aansturen die aan het appen zijn. Ik denk het niet, dat is net zo iets als bewust traplopen, waarbij je juist de kans loopt van de trap te vallen. Je vingers gaan zo vlug over het toetsenbordje van je telefoon dat je de vingers zelfs geen instructie kunt  geven; zeker niet de afzonderlijke spiertjes in die vingers. En toch gebeurt het allemaal. Als je het ziet dan weet je dat je niets doet en dat het toch allemaal plaats vindt.