Vers 24

Ramana Maharshi*:
“Hoewel het lichaam, dat zonder gewaar zijn is, op zichzelf niet ‘ik’ kan zeggen, en Zijn-Gewaarzijn (Sat-Chit) geen verschijnen en verdwijnen kent, ontstaat er iets tussen deze twee in als een ‘ik’, dat het lichaam als maatstaf heeft, en dat zich ermee identificeert. Dit wordt wel aangeduid als ‘de verknoping van Gewaarzijn met het gewaarzijnloze’ (chit-jada-granthi), en ook als ‘gebondenheid’ (bandha), ‘individu’ (j
īva), ‘subtiel lichaam’ (sūkshma sharīra), ‘ego’ (ahankāra), ‘kringloop-bestaan’ (samsāra), ‘denkvermogen’ (manas), enzovoort.”

 

Ik had geleerd om mijn aandacht op het werkoppervlak te richten; bijvoorbeeld daar waar de hamer en spijker raakte. De bedoeling hiervan was dat je keek naar het werkoppervlak, zodat je in het hier-en-nu verkeerde. Het duurde soms uren en na veel discussies in mijn hoofd, al dan niet door herinneringen aan gelijksoortig werk, voordat het dan lukte om onverwachts een moment bij de punt waar het werk plaats vond te blijven.
Zonder dat ik het in mijn geest opmerkte gaf ik mij dan innerlijk een schouderklopje dat ik zo goed bij het werk was gebleven en werd onmiddellijk meegetrokken in nog meer associaties.
Mijn geest, ego of ik wilde meedoen. Het richten van mijn aandacht zorgde er voor dat ik van binnen met aandachtig waarnemen bezig was dan dat ik het hele gebeuren van werken louter waarnam, zonder mijn aandacht te willen sturen of controleren. Het lijkt allemaal zo mooi die spirituele oefeningen, maar het van binnen willen doen of beheersen zorgt ervoor dat ik met het realiseren van een resultaat bezig was, terwijl ik niet zag dat het werken gebeurde.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.144.

Vers 23

Ramana Maharshi*:
“Dat wat ‘ik’ zegt, is niet het lichaam. Niemand zal beweren dat ‘ik’ in diepe slaap ophoud te bestaan. Pas zodra het ‘ik’ opkomt, komt al het andere op.
Onderzoek daarom met éénpuntig gerichte aandacht waaruit het ‘ik’ opkomt.”

De laatste tijd ben ik vaker vermoeid. Dat kan door mijn ziekte, ouderdom of inspanningen komen. Ik val dan in de middag voor de televisie kort in slaap. Dit in slaap vallen gebeurt zonder dat ik dat in de gaten heb en zo ook word ik weer onverwachts wakker.
Meestal kijk ik, wanneer ik wakker wordt, een moment verdwaasd om mij heen en weet een moment niet waar ik ben. Ja, ik ben toch even weg geweest denk ik dan en langzaam kom ik weer tot leven en zie het beeld op de televisie en de rest van de kamer. Wat nu maakt dat ik in slaap val of weer wakker wordt weet ik niet. Beide is iets dat mij overvalt en mijn denken doet stoppen of aanzet.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.144.

Vers 22

Ramana Maharshi*:
“God geeft licht aan het denkvermogen en straalt daarin van binnenuit. Behalve door het denken naar binnen te richten en het in God te laten verzinken, is er met het denkvermogen geen weg naar God.”

Als ik voorheen weer eens een nieuwe spirituele tekst las dan probeerde ik dat in te passen in mijn kennis van vorige teksten. Ik zei dan bij mijzelf ‘dat herken ik’ en was het verder voor mij klaar. Ik bedoel theoretisch klaar in mijn gedachten en onderzocht ik het verder niet meer.
Ik las bijvoorbeeld regelmatig ‘het leven is een spel (lila)’. Echt begrijpen deed ik het niet. Wanneer ik zo om mij heen keek in het dagelijks leven dan was het in mijn gedachten vooral een strijd om de sterkste, de slimste of mooiste te zijn.
Het naar binnen richten van het denken om in God te verzinken gebeurde niet. Ik onderzocht helemaal niet wat de bron van deze drie aspecten zou zijn; wat er voorbij de sterkste, slimste en schoonste is.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.144.

Vers 21

Ramana Maharshi*:
“Wat is de waarheid van de teksten die verkondigen dat het zien van het Zelf het zien van God betekent? Hoe kan er sprake zijn van het zien van je eigen Zelf, dat immers één is zonder tweede?
Als dit zien niet mogelijk is, hoe is het zien van God dan mogelijk?
Uitsluitend door voor Hem een prooi te worden.”

God schiep de mens naar zijn evenbeeld. Het lijkt mij een ijdel persoon. Als ik in de spiegel kijk dan zie ik wel een ijdel persoon, die graag zijn haar goed heeft zitten. Moeilijker vind ik het als mijn vrouw naast me staat. Wie is dan het evenbeeld? Zij of ik. En hoe zit het met een Surinamer of Chinees die lijken helemaal niet op elkaar.
Dit nodigt uit om verder te kijken dan het uiterlijk en ook het innerlijk want daar bestaat ook een diversiteit van. Het uiterlijk en innerlijk zijn dan een soort richtingsaanwijzers naar een gemeenschappelijke bron die echter onbekend is. Dan blijft het louter waarnemen zonder iets te willen over en wachten, als een prooi van God, tot de bron zich spontaan in het leven aandient.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.143.

Vers 20

Ramana Maharshi*:
“Iemand die God ziet zonder het altijd-ziende Zelf te zien, ziet alleen een mentale voorstelling.
‘Het Zelf zien is God zien’, wordt wel gezegd.
Alleen hij die het ‘ik’ verliest en de grond ervan ziet, het Zelf, heeft God gevonden – het Zelf is immers niet iets anders dan God.”

Als ik op vakantie ben dan ga ik graag naar kathedralen en van die kleine kerkjes in België, Frankrijk of Duitsland. In Brugge is er een verscheidenheid van kerken en allemaal met een eigen verhaal. Ik kijk dan vooral naar de glas-in-lood ramen, de beelden van heiligen of schilderijen van o.a. de kruisweg.
Toch blijft het allemaal een beetje op een afstand, hoewel ik het historisch begrijp, lukt het me niet om Jezus als zoon van God te zien en voel ik ook geen werkelijke innerlijke verbondenheid. Ik bedoel dat al die beelden, ramen en schilderijen met zijn afbeelding voor mij op een afstand blijven en toch voel ik mij ertoe aangetrokken.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.143.

Vers 19

Ramana Maharshi*:
“Degenen die discussies voeren over wat uiteindelijk de doorslag geeft: lotsbestemming of vrije wil, hebben geen weet van de Bron van zowel lot als vrije wil.
Zij die het Zelf kennen als de Bron van lot en vrije wil, zijn vrij van beide. Zullen zij er dan nog in verstrikt raken?”


Jaren geleden was mijn zoveelste relatie uit gegaan. Uiteindelijk ging het om kleine dingen, maar die ene druppel was teveel geweest. Na een paar maanden was ik er weer bovenop en kon mij volledig weer inzetten voor het retraitecentrum dat ik met haar had opgezet.
Ik lag ’s avonds vroeg in bed en overdacht bij mezelf wil ik wel een nieuwe relatie en dan weer zo’n zelfde traject van verliefdheid, lief zijn voor elkaar en uiteindelijk uit te komen bij ‘was sich liebt das neckt sich’.
Alles overwegend besloot ik monnik op het centrum te worden en zo verder te leven. Dat leek me ook het beste voor het centrum; ik wilde een voorbeeld zijn van overgave aan het spirituele.

Het liep anders. Ik bezocht in verband met de gemeenteraadsverkiezingen een oude vriendin en na wat met elkaar gesproken te hebben namen we bij de deur met een kus afscheid. Op een gegeven moment stonden we echter bij de deur innig te zoenen en was liefde toegeslagen zonder dat ik dat überhaupt in mij opgekomen was. De wegen van het leven blijken ondoorgrondelijk.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.143.

Vers 18

Ramana Maharshi*:
“Zowel zij die het Zelf gerealiseerd hebben alsook zij die dat niet hebben, beschouwen de wereld als werkelijk. Maar de niet-gerealiseerde houdt de maten van de wereld voor de grenzen van de Werkelijkheid, terwijl voor degene die het Zelf gerealiseerd heeft, de Werkelijkheid straalt als vormloze Volmaaktheid en Bestaansgrond van de wereld. Dat is het verschil tussen beide.”


Op YouTube staan filmpjes, waarop je kunt zien hoe het leven in elkaar zit. Er wordt bijvoorbeeld ingezoomd op een plant en steeds verder ingezoomd tot je alleen nog maar bewegende kleuren of licht ziet. Zo wordt ook uitgezoomd op het heelal en steeds weer verder en ook daar zie je tenslotte bewegende kleuren of licht. De plant en het heelal lijken op elkaar als vormeloze bewegingen, dat heel precies in elkaar steekt.

Toch praten we niet over de planten en het heelal in dezelfde woorden, want dat wordt dan moeilijk met elkaar praten en spreken we van hyacint, beuk, maan, zonnestelsel. Soms noemen we dit zelfs Goddelijk.

 

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.142.

Vers 17

Ramana Maharshi*:
“Zowel wij die het Zelf gerealiseerd hebben alsook zij die dat niet hebben, duiden het lichaam aan met het woord ‘ik’. Het ‘ik’ van de niet-gerealiseerde blijft echter beperkt tot de omvang van het lichaam, terwijl voor degene die het Zelf in het lichamelijk bestaan gerealiseerd heeft het ‘ik’ als het onbegrensde Zelf straalt.”

Toen ik tien jaar was speelde ik heerlijk met mijn vriendje in de tuin. Hij moest gaan eten en ik bleef achter. Ik ging onder een grote dennenboom met lage takken liggen en keek uit over het grasveld naar de andere kant waar ook enkele bomen stonden. Meestal had ik geen belangstelling voor bomen en mijmerde ik bijvoorbeeld over hoe we in de zandbak nog beter tunnels konden maken om er balletjes door te laten rollen.

Opeens zag ik de takken van de bomen aan de overkant en had daar geen associaties bij. In die stilte van het zien besefte ik dat de natuur en het hele leven goed was zoals het was; een soort natuurlijk aanwezig zijn van alles en iedereen.

 

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.142.

Vers 16

Ramana Maharshi*:
“Kunnen tijd en ruimte los van ons bestaan? Als wij lichamen zijn, zijn wij beperkt door tijd en ruimte. Maar zijn wij lichamen?
Wij zijn één en dezelfde, nu, toen, ooit, hier, daar en overal. Wij zijn uitsluitend tijdloos en plaatsloos Zijn.”

Laatst wandelde ik in het bos op de Hoge Veluwe en genoot van de boslucht en de herfstkleuren. Op een gegeven moment merkte ik dat mijn voeten, beter gezegd voetzolen, de grond raakten. Ik liep verder en voelde hoe mijn voeten de grond raakten.
Ik zag het bos niet meer en ook de tijd die verstreken was tijdens dat stukje wandelen was er niet. Het voelen van mijn voeten op de aarde verdween spontaan op het moment dat er helemaal geen gedachten meer waren en het benoemen van wat gebeurde, het wandelen in al zijn facetten, was uit mijn gedachten.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5,  pag.142.

Vers 15

Ramana Maharshi*:
“Verleden en toekomst vinden hun bestaansgrond in het heden. Als zij zich afspelen, gebeurt dat in het heden.
De poging om verleden en toekomst te begrijpen terwijl het heden onopgemerkt blijft, is als proberen te tellen zonder het getal één.”

Ik weet nog goed dat ik in mijn stoel zat en moest denken aan mijn relatie die een week daarvoor uitgegaan was. Ik was een en al verdriet in die stoel. Ik zou ook nooit of in ieder geval moeilijk weer een vriendin kunnen krijgen. Ik zou eerst moeten afkicken, waarna er volgens mij weer ruimte voor een relatie zou kunnen ontstaan.
Het denken over de oude of nieuwe relatie wisselde van moment tot moment af.
Plotseling besefte ik dat ik in de stoel zat en er op dat moment niets anders was dan het zitten in de stoel en dat het nadenken geen zin had en het aanwezig zijn in de stoel op dat moment voldoende was.

* uit: Ramana Upanishad, samengesteld en vertaald door P. Renard, uitg. Servire, 1999, ISBN 90 7668 101 5, pag.141.