Wandelen

Het is heerlijk lopen in de bossen op de Veluwe. Ik kijk wat om me heen en zie kleine vogeltjes of, afhankelijk van het jaargetijde, jonge lichtgroene knopjes of oude bruine droge blaadjes aan de takken. Ik loopt over het bospad zonder dat ik precies kijk of weet waar ik de volgende stap zal neerzetten. Een enkele keer ligt er een afgewaaide dikke of dunne boomtak op mijn pad en stap er overheen of til ik mijn voet niet hoog genoeg op en struikel of val ik zelfs op de grond.
Als de vermoeidheid toeslaat richt ik mijn aandacht soms op mijn voeten en voel dan hoe het voetbed, of beter gezegd de schoenzolen de grond raken bij elke stap die ik zet. Het lijkt dan zelfs alsof ik grond niet raak en het wandelen plaatsvindt zonder dat ik ingrijp of het onder controleer. Bij elke stap ben ik gewaar van mijn voeten en is het denken even afwezig. Achteraf kan ik zeggen dat er naast mijn gedachten over het wandelen ook af en toe stilte in mijn geest was.

Wandelende takken

Bruintje en Brekebeen, twee wandelende takken, zaten lekker met elkaar te keuvelen in een groene struik. Het weer was aangenaam en ze bespraken of ze niet eens op vakantie moesten gaan naar een altijd aangenaam oord. Ze legden uitgebreid hun benen over elkaar en gingen er eens goed voor zitten.
Brekebeen stelde voor om naar een zonnig land te gaan, want daar kon je lekker in de zon van de ene naar de andere tak hoppen en er was altijd wat te eten. Dat leek deze Bourgondische wandelende tak wel wat. ‘Ben je helemaal besodemieterd’, zei Brekebeen, ‘als we zo ver gaan dan wil ik cultuur opdoen en mij laven aan de mooiste exotische bomen, struiken en planten die daar zijn’. ‘Jij met je cultuur’, zei Brekebeen, ‘je hebt geeneens belangstelling voor de bomen en planten in je eigen omgeving. Begin dan hier. Elke boom die je echt ziet is dan al een vakantie voor je, daar hoef je niet ver voor te reizen’.

Afwassen

Elke dag wordt er met de hand afgewassen, want we hebben geen afwasmachine. Wie vindt dat nu leuk? Ik ken in ieder geval niemand. Toch begin ik er direct na het eten. Soms was ik eerst de glazen, bekers en kopjes af,droog ze meteen af en zet ze in de kast en soms zet ik heel de afwas eerst in het afdruiprekje. Net waar ik zin in heb, dat haalt ook de sleur een beetje weg. Vaak erger ik mij aan het feit dat de spullen niet eerst zijn afgespoeld of dat ik tien keer naar de kast moet om ze op te bergen. Tijdens het afwassen gaan mijn gedachten naar andere zaken die niets met het afwassen te maken hebben, zoals de vakantie of een nieuwe detective serie.

Maar af en toe zie ik tijdens het afwassen het vuil op de borden of zie ik de afwasborstel. Achteraf besefte ik dan dat de gedachten verdwenen of opgelost waren en dat er feitelijk alleen het afwassen plaatsvond. Het afwassen is eenvoudig en heeft op zich geen gedachten nodig om uitgevoerd te worden; ze voegen niets toe aan het afwassen zelf. Het louter waarnemen of zien dat het allemaal gebeurt, zonder het denken ; meer is niet nodig.

Rivierstenen

De rivier stroomt breed meanderend het heuvellandschap af en de stenen rollen met hem mee. De grote kiezels gaan langzaam stroomafwaarts in tegenstelling tot de grote keien waar het water van de rivier meer energie in moet stoppen om ze mee te voeren. Dan die kleine zandkorreltjes die als eersten met de stroom meegaan op weg naar de zee. Waarom gaan jullie niet met ons mee vragen de kleine steentjes aan de grote kiezels. ‘Och’, zeiden de kiezels ‘Wij willen graag bij de grote jongens die van de keien horen en haastige spoed is zelden goed’. De kleintjes ook niet op hun mondje gevallen zeiden in koor ‘Wie het kleine niet eert is het grote niet weerd’

Ja, maar …

Ik ben geïnteresseerd in de advaita vedanta en lees naast Indiase wijzen, zoals Ramana Maharshi en Nisargadatta ook westerse vedanta-leraren, bijvoorbeeld Alexander Smit, Jean Klein of Wolter Keers. Leraren die een persoonlijk inzicht hebben en daar in hun boeken verschillend over spreken. Dit liet ik onlangs vallen in een gesprek en toen kreeg ik te horen ‘ja, maar die zeggen allemaal hetzelfde’. Dit lijkt misschien zo, maar daarmee worden de nuances van de verschillende leraren van tafel geveegd. Daar werd ik door uit het veld geslagen en dit was de aanleiding om deze blog te schrijven.

‘Ja, maar ik hoorde laatst dat het niet waar is.’; ‘Ja, maar dat geneesmiddel werkt bij mij helemaal niet goed.’; ‘Ja, maar een elektrische auto is helemaal niet milieuvriendelijk.’ Dit zijn enkele voorbeelden van ‘Ja, maar ..’ die ik regelmatig in gesprekken hoor.
Sommigen vinden dat wat iemand zegt kleiner maakt door ‘maar’ te zeggen en zij zeggen dan ‘ja, en …’. Hiermee maken ze wat je zegt niet kleiner, maar voegen iets toe en maken het daarmee groter. Voor mij is dit eigenlijk hetzelfde als ‘ja, maar’ alleen wil je het mooier maken.
Ikzelf heb daar ook last van, zelfs met zo iets banaals als detectives. Als iemand zegt ik houd van Amerikaanse misdaad series, dan hoor ik mij al zeggen ‘ja, maar die zijn zo gewelddadig’. Of een vriend zegt dat Zweden zo’n mooi vakantieland is, dan zeg ik ‘ja, maar zo eentonig want alle naaldbossen en de duizenden meertjes lijken op elkaar’. Ons oordeel ligt zo snel op onze lippen en we lopen het gevaar in een twistgesprek terecht te komen van welles – nietes. We hebben nu eenmaal door onze eigenheid oordelen en meningen, die heel goed naast elkaar kunnen bestaan en een uitnodiging zijn om om verder te onderzoeken wat het leven is.

Wijn

Je kunt tegenwoordig wijn uit zo’n beetje de hele wereld krijgen en niet alleen uit de traditionele landen Spanje, Italië of Frankrijk.
Een Italiaanse wijn zegt met enige trots tegen de twee andere wijnen: ‘Het was een heerlijk wijnjaartje. Ik smaak lekker fruitig en soepel.’ De Spaanse wijn antwoordt opgetogen: ‘Hier was het ook een goed jaartje met veel zon. Ik heb een stevige en romige afdronk.’ Zegt de Franse wijn in alle rust: ‘Ik ben de meest geliefde wijn van de wereld en weet dat we allemaal uit de druif komen ongeacht de verschillende smaken. Voor mij is wijn louter wijn.’

Autoraces

Jammer dat F1 Grand Prix autoraces dit jaar (2020) zijn uitgesteld in verband het coronavirus. Helemaal jammer omdat dit jaar voor het eerst sinds 1985 weer een wedstrijd op Zandvoort gereden zou worden.
Ook kijk ik met iets meer belangstelling naar de races, omdat Max Verstappen mee doet.
Ik merk dat ik het ook moeilijk kan laten om niet te kijken wanneer Max Verstappen kans heeft om te winnen omdat hij tijdens de trainingen zich voor de eerste startrij heeft gekwalificeerd. Ik vind het altijd lekker als een Nederlander kan winnen.
Tijdens de wedstrijd krijg ik vaak de eigenaardige gedachten: ‘Misschien of eigenlijk hopelijk, gebeurt er wat; zoals twee wagens die uit de bocht vliegen of elkaar zo raken dat ze spinnen en de van achterop komende rijders ze niet of nauwelijks kunnen ontwijken.

Eigenlijk een vreemde gedachte, want het gaat in een autorace om het winnen en niet om het verliezen, zeker niet door een ongeluk. Gelukkig zijn de auto’s tegenwoordig zo goed gebouwd dat ze wel tegen een stootje kunnen. Misschien speelt bij die gedachte mee dat veel wedstrijden enigszins saai zijn omdat de winnaar van start tot finish voorop rijdt en er niet veel spanning meer in de wedstrijd is.

Waar komen die vreemde gedachten vandaan? Als het om gedachten van inspiratie voor het schrijven van bijvoorbeeld dit artikel gaat, dan komen die uit een soort niets of oerbron vandaan. Dan moet de gedachte om naar een F1 Grand Prix te kijken daar ook uit voort komen. Hetzelfde geldt dan ook voor die vreemde gedachten over ongelukken. En daar geniet ik ook nog van!

Twee puttertjes

Twee puttertjes met een rood gezichtje en een verder zwart met witte kop, vliegen zij aan zij door de zomers lucht. Schuin onder hen zien zij een waterfontein. ‘Wat is het warm. Heb jij ook zo’n dorst?’ vraagt de oudste van de twee. ‘Ja, ik wil wel wat drinken.’ ‘Laten we hier dan snel naar beneden duiken en uit die fontein wat drinken.’ De jongste had nog nooit uit een fontein gedronken, laat staan op deze snelheid naar beneden gedoken. ‘Ik durf dat niet,’ antwoordt hij paniekerig. ‘Ik ga wel voor. Volg mij dan zie je hoe ik op de keitjes land.’ De andere volgt en landt vlak naast hem. ‘Ik was bang dat ik op mijn kop zou vallen en misschien wel iets zou breken, maar er gebeurde helemaal niets. Het ging helemaal vanzelf,’ zei het kleintje met een nu volledig rood hoofd.

Grasmaaien

Voor het eerst van mijn leven ging ik het gras maaien met een benzinegrasmaaier. Ik had van tevoren de handleiding van de grasmaaier op internet bekeken. Heel eenvoudig eigenlijk; een paar keer op het gele knopje van de choke drukken, de hendel ingedrukt houden en vervolgens aan het touwtje trekken. Nu dat ging als een fluitje van een cent. Hoewel het gras tien centimeter hoog was trok de grasmaaier er doorheen. Vervolgens koffiedrinken en een ander stuk grasveld maaien. Ik kreeg echter de grasmaaier niet gestart, hoe vaak ik ook chookte en aan het touwtje trok.

Ik had blijkbaar zo vaak aan het touwtje getrokken, dat het kapot geschuurd was en ik de werkplaats in moest om een nieuw touwtje in het trekmechanisme te monteren. Dat ging helemaal mis, de trekveer sprong er uit en daar zat ik met een meter uitgerolde trekveer. Uiteindelijk moest ik een nieuw trekmechanisme bestellen en na drie weken kon ik weer gaan grasmaaien. Helaas de grasmaaier wilde niet starten en ik dacht meteen nu is de grasmaaier helemaal kapot. Toevallig moest ik iemand bellen die er meer verstand van had en die herinnerde mij eraan dat je bij het starten tegelijkertijd de hendel ingedrukt moest houden en warempel de grasmaaier startte na twee keer aan het touwtje trekken. Ik was helemaal vergeten om de hendel ingedrukt te houden. Vreemd want ik had het in de handleiding gelezen en het ook al zo een keer gedaan. Ik was dit echt niet bewust vergeten en het me herinneren was me ook niet gelukt. Blijkbaar kun je het vergeten en herinneren niet zelf doen. De vraag komt dan op wie of beter gezegd wat is het dat zich herinnert en vergeet?

Blaadjes

Twee bruine blaadjes dwarrelen in de herfst ritselend naar beneden. Zegt het geelbruine blaadje tegen het andere donkerbruine blaadje: ‘Waar kom jij vandaan?’. Zegt het geelbruine blaadje: ’Ik kom van boven uit de top van de 100-jaar oude eik gevallen’. ‘Dat is ook toevallig‘, zegt het donkerbruine blaadje ‘Ik kom ook uit de 100-jaar oude eik gevallen, maar zat ergens beneden aan een takje. Vreemd dat we elkaar niet eerder ontmoet hebben’. Misschien kwam dat’, zei het geelbruine blaadje, ’dat we zo vast zaten aan ons eigen takje, dat we geen oog of oor voor elkaar hadden’