Plastic zakjes

Plastic zakjes waaien zo heerlijk in de wind en meestal dezelfde kant op zodat de ene kant van de weg of straat meer bedeeld is met die zakjes dan de andere kant.
Als zo’n boterhammenzakje in een struik met doornen terecht komt dan hoop je de zakjes los te kunnen trekken met de prikker.
Er zijn ook mensen die een wit plasticzakje, dat ze van de snackbar hebben meegekregen weggooien al of niet samen met het lege frietzakje of het hamburgerdoosje, vaker ligt alles los van elkaar in de berm.

Wat kun je ervan zeggen of wat denk je ervan, want zo gauw je de rommel ziet begint het denkwerk. Het roept onmiddellijk allerlei associaties op. Wat heeft er in het zakje gezeten? Smaakt dat wel die vette hap? En herinneringen dat ikzelf ook wel eens een patatje op staart eet en ook de kennis over de afbreekbaarheid van dat alles. En natuurlijk ongenoegen over het op straat gooien.

Ongenoegen dat soms in mijn hele lijf voelbaar is, wat meteen een afstand schept met het prikken zelf. Het zien van het ongenoegen in mijn lijf vertaalt zich onmiddellijk in een gedachte over dat gevoel en sluit mijn waarneming van het prikken buiten. Het leven is er zelfs niet, wordt door mij niet waargenomen, wel zie ik mijn gedachten over het leven.