het Leven is de leraar
Hfst.4: Waarnemen
Par.: Voorwoord
‘Zo ware helpe mij God’. We willen graag de waarheid weten, vooral van datgene dat in het Leven gebeurt. Wanneer we de waarheid over het Leven niet weten of kunnen duiden, leggen we de waarheid neer bij God; in ieder geval bij iets groters dan we kennen.
Wanneer je een boom ziet; zoals een berkenboom, dan heb je tegelijkertijd alle andere bomen als niet-berkenboom bestempeld.
Hetzelfde geldt voor al die identiteiten die we in de geest over onszelf en al het andere bedenken, ook wordt zo de andere kant van identiteit namelijk de niet-identiteit van wat we niet zijn daarbij meteen ingesloten. We vinden onszelf bijvoorbeeld creatief of zachtaardig, dan hebben we onmiddellijk ook datgene wat niet creatief of niet-zachtaardig is benoemd. Dus wanneer we de waarheid en dan ook de niet-waarheid benoemen hebben we tegelijkertijd met de dualiteit te maken. Hoe kan dat? De waarheid is altijd en overal waar, is non-duaal; het gaat uit van de eenheid, is de eenheid. Uiteindelijk weten we het niet en is de waarheid ver weg, het bestaat zelfs niet, hooguit als woord, zelfs het woord realiteit is niet de realiteit, maar een woord. Hoe zit het dan met waarnemen?
Is de ervaring van waarnemen waar en is de waarnemer waar oftewel aanwezig? Wat speelt er tijdens het waarnemen?
Niet ik laat het waarnemen gebeuren. Het waarnemen gebeurt door het Leven in het Leven. Dit waarnemen heeft zelfs geen waarnemer, het vindt plaats of ik wil of niet. Je kunt zeggen dat een besef van persoonlijk doelgericht waarnemen is opgegaan in een universeel onpersoonlijk gebeuren geen doel kent.